Italië bouwde twee centra in Albanië voor 3.000 mensen per maand. Na ruim een maand waren er 24 aangekomen, en die gingen allemaal binnen twee dagen terug naar Italië omdat de rechter er een streep door zette. Het bewakingspersoneel werd naar huis gestuurd. De gebouwen deden daarna een tijd dienst als opvang voor zwerfhonden. Nederland zit in de kopgroep die dit model naar Oeganda wil brengen.
Minister Van den Brink van Asiel en Migratie sprak deze week met zijn Deense collega over terugkeerhubs, en op 4 september gaat dat gesprek verder in Kopenhagen. Het politieke debat gaat over of je dit moreel wilt. Deze pagina gaat over iets anders: wat er juridisch al ligt, en wat er in Nederlandse rechtszalen gebeurt als een rechter moet toetsen of iemand naar zo’n derde land kan.
Wij hebben onze eigen database met Nederlandse rechtspraak doorzocht op precies dat land, en op precies die toets. De uitkomst is minder abstract dan het debat.
Wat een terugkeerhub is, en wat het niet is
Twee begrippen worden voortdurend door elkaar gehaald, terwijl ze juridisch niets met elkaar te maken hebben.
- Veilig derde land. Dit gaat over de asielprocedure. Iemand vraagt asiel aan in Nederland, en de minister zegt: dat had u in land X kunnen doen, ga daarheen. De aanvraag wordt dan niet-ontvankelijk verklaard. De regels staan in artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000.
- Terugkeerhub. Dit gaat over de fase daarná. Iemand is uitgeprocedeerd, moet weg, maar vertrekt niet. In plaats van naar het land van herkomst gaat hij naar een opvang- of detentievoorziening buiten de EU, en van daaruit moet de terugkeer geregeld worden.
Het verschil is niet academisch. Bij “veilig derde land” bestaat een uitgewerkte wettelijke toets, met jurisprudentie van tientallen jaren. Bij terugkeerhubs bestaat die toets niet, want de figuur zelf bestaat nog niet in het recht.
Het gat in de wet
Op dit moment is er in Europa precies één terugkeerhub: het detentiecentrum in Gjadër, Albanië, dat Italië sinds april 2025 zo gebruikt. En de kernvraag daarover is nog onbeantwoord.
Overplaatsing naar en uitzetting vanuit een terugkeerhub is namelijk noch in het Italiaanse noch in het Europese recht geregeld. De overeenkomst tussen Italië en Albanië zegt er niets over. Het Italiaanse Hof van Cassatie heeft daarom prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU, in de zaak Sedrata, over twee mannen met een terugkeerbesluit die vanuit het terugkeercentrum in Bari naar Gjadër werden overgebracht en daar alsnog om internationale bescherming vroegen. Het Hof van Beroep in Rome oordeelde dat wie om bescherming verzoekt het recht heeft in Italië te blijven, en dat de Albanië-overeenkomst dan niet van toepassing is. Die zaak loopt nog.
Ondertussen ligt er sinds 11 maart 2025 een voorstel voor een nieuwe EU-Terugkeerverordening, dat wél een rechtsgrondslag voor terugkeerhubs moet gaan bieden. Dat is de kern van de situatie: het beleid loopt voor op het recht, en de rechter moet achteraf vaststellen of het mocht.
Wat Italië’s proefproject opleverde
De centra in Shëngjin en Gjadër gingen op 11 oktober 2024 open. Het plan was ruim 3.000 asielzoekers per maand.
Na ruim een maand waren er 24 mensen aangekomen, voornamelijk uit Egypte en Bangladesh. Vijf van hen verbleven er nog geen twaalf uur, de rest iets meer dan 48 uur. Allemaal werden ze teruggebracht naar Italië na een rechterlijke uitspraak. De rechters leunden daarbij op een arrest van het Hof van Justitie: een land buiten de EU kan pas als veilig worden aangemerkt als het hele grondgebied veilig is, en voor Egypte en Bangladesh gold dat niet.
Meer dan vijftig Italiaanse politieagenten keerden terug naar huis, gevolgd door tientallen artsen en welzijnswerkers. Er was geen werk. Volgens De Groene Amsterdammer hebben de kampen in totaal nooit meer dan veertig mensen uit Italië geherbergd.
Toen Italië het in mei 2025 opnieuw probeerde, met een decreet dat kansloze asielzoekers direct via Albanië terug moest sturen, legde het Italiaanse Constitutionele Hof de kwestie voor aan het Hof van Justitie. En moest het handjevol Egyptenaren en Bengalezen dat er al zat opnieuw terug.
De toets die Nederland al kent, toegepast op Oeganda
Hier wordt het concreet, want Oeganda is het land waar Nederland een terugkeerhub wil, én een land dat in Nederlandse asielzaken al jaren langskomt.
Artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit stelt drie eisen voordat iemand naar een derde land mag worden verwezen. Er moet een band zijn met dat land waardoor het redelijk is dat hij ernaartoe gaat. Hij moet er daadwerkelijk toegelaten worden. En hij moet er behandeld worden volgens de beginselen van het Vluchtelingenverdrag.
Op 19 mei 2026 boog de rechtbank Den Haag zich over een Eritrese man die anderhalf jaar in Oeganda had gewoond voordat hij naar Nederland kwam. De minister verklaarde zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk: Oeganda is voor hem een veilig derde land, en hij kreeg een terugkeerbesluit met Oeganda als land van terugkeer.
De rechtbank liep de drie eisen langs, en het resultaat is leerzaam.
- De band: die was er. De man voerde aan dat hij er niemand meer kende, de taal niet sprak en geen werk kon vinden. De rechtbank ging daar niet in mee: hij had anderhalf jaar rechtmatig in Oeganda verbleven, onderwijs gevolgd, vrienden gehad en medische zorg gekregen na een motorongeluk. Voldoende gemotiveerd.
- De behandeling ter plaatse: ook in orde. In december 2025 werd gemeld dat Oeganda geen asielaanvragen van Eritreeërs meer in behandeling nam. Maar de minister legde nieuwere informatie over: volgens UNHCR waren er sinds begin 2026 alweer 9.671 asielaanvragen van Eritreeërs in Oeganda geregistreerd. De rechtbank vond het daarom niet aannemelijk dat zijn aanvraag daar zou blijven liggen.
- De toegang: daar ging het mis. Op dat punt was de motivering van de minister ondeugdelijk, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
Eén gebrek volstond. Het besluit werd vernietigd, de minister moest binnen zes weken opnieuw beslissen en betaalde € 1.868 aan proceskosten (ECLI:NL:RBDHA:2026:13106).
Het was niet de enige. Op 12 februari 2026 sneuvelde een ander Oeganda-besluit bij dezelfde rechtbank, omdat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de vrouw in kwestie een band had met Oeganda via haar daar verblijvende echtgenoot — én dat zij er toegang toe zou krijgen (ECLI:NL:RBDHA:2026:3040).
Waarom “toegang” de zwakke schakel is
Van de drie eisen is dit degene waar een hub-constructie het meest op vastloopt, en de Oeganda-zaak laat precies zien waarom.
In december 2025 stopte Oeganda met het toekennen van vluchtelingenstatus aan Eritreeërs, Somaliërs en Ethiopiërs. Eind diezelfde maand werd de deur stilletjes weer geopend. Beide feiten stonden in de uitspraak, met bronvermelding, omdat ze het verschil maakten voor de uitkomst.
Daar zit de bodem onder elk terugkeerhub-plan. Of iemand ergens naartoe kan, hangt af van wat een ander land op dat moment toelaat. Dat is geen juridische zekerheid maar een beleidskeuze van een regering waar Nederland niets over te zeggen heeft, en die per maand kan wisselen. Precies daarop strandde het Italiaanse project ook: de mensen kwamen aan, en gingen terug.
Het land staat twee keer in het dossier
Nog iets wat opvalt bij het doorzoeken van de database. Oeganda komt in onze verzameling Nederlandse uitspraken 164 keer voor, waarvan 55 keer sinds 2025. In 86 van die zaken gaat het over seksuele gerichtheid.
Dat zijn asielaanvragen ván mensen uit Oeganda die daar vervolging vrezen omdat ze lhbti zijn. Ze lopen wisselend af: in ECLI:NL:RBDHA:2026:11548 (11 mei 2026) oordeelde de rechtbank dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen omdat niet was doorgevraagd naar littekens. In ECLI:NL:RBDHA:2026:21941 (23 juli 2026) hield de afwijzing juist stand, omdat het verhaal ongeloofwaardig werd gevonden.
Eerlijk blijven over wat dat betekent: hieruit volgt niet dat Oeganda daarom geen derde land kan zijn. De vraag of een land veilig is voor déze persoon wordt per geval beoordeeld, en dat is precies wat artikel 3.106a voorschrijft. Maar het laat wel zien dat een land dat op de ene tafel als bestemming ligt, op de andere tafel als herkomstland van vervolging wordt beoordeeld. Wie een hub bouwt, koopt die dubbelheid erbij, zaak voor zaak.
Wat je hiervan kunt onthouden
- Er bestaat nog geen recht voor terugkeerhubs. De enige die nu draait, in Albanië, is gebouwd zonder wettelijke grondslag voor de overplaatsing zelf. Het Hof van Justitie moet daar nog over oordelen.
- Waar de toets wél bestaat, is hij individueel. Band, toegang en behandeling worden per persoon beoordeeld. Een algemeen oordeel “land X is veilig” is niet genoeg, en dat is geen formaliteit: op dat punt sneuvelen besluiten.
- Toegang is het lek. Je kunt een centrum bouwen, maar niet afdwingen dat een ander land iemand blijft toelaten.
- Reken op vertraging, niet op snelheid. Het Italiaanse project leverde in ruim een maand 24 overplaatsingen op die binnen twee dagen werden teruggedraaid, plus jaren procederen.
Zit je zelf in een procedure waarin de minister een derde land tegenwerpt, dan is dit het punt waar het meestal om draait: niet of dat land in het algemeen veilig is, maar of jij er een band mee hebt en of je er daadwerkelijk binnenkomt. Wil je nazoeken hoe rechters dat in vergelijkbare zaken beoordeelden, mét de uitspraken erbij? Stel je vraag in de juridische chat — de eerste vijf vragen per maand zijn gratis.
Dit artikel is gebaseerd op uitspraken uit onze eigen database met Nederlandse rechtspraak, aangevuld met berichtgeving over het Italiaanse project (VRT NWS op basis van ANSA, De Groene Amsterdammer) en de juridische analyse van Verblijfblog. Elke aangehaalde zaak is te controleren via de ECLI-link. Het is algemene informatie en geen juridisch advies over jouw situatie.
